De Tibetorchidee of - beter - Pleione bulbocodioides



 

  Tuinorchideeën gelden als moeilijk en er zijn ook maar weinig soorten die de gewone tuinliefhebber zonder al te veel problemen in de tuin kan kweken. Veel tuinorchideeën zijn alleen onder laboratoriumomstandigheden uit zaad op te kweken. In de tuin zijn ze vaak
Pleione bulbocodioides
Pleione bulbocodioides
afhankelijk van een schimmel, waarmee ze een soort samenwerkingsverdrag hebben, dat Mycorhiza wordt genoemd. Mycorhiza komt bij veel planten voor, maar orchideeën zijn heel erg afhankelijk van deze samenwerking. Als de schimmel in voldoende mate in de grond zit, zullen zich in de tuin spontaan zaailingen van orchideeën kunnen vestigen. Zoals iedere tuinier uit ervaring weet, is dat slechts zelden het geval. Pleione zaait zich ook niet uit, maar is wel gemakkelijk te kweken. De meest gekweekte soort, Pleione bulbocodioides, heeft grote bloemen, die voor het blad verschijnen. De kleur is opvallend en de tekening op het grootste bloemblad is ook fraai.

De naam Tibetorchidee is niet echt ingeburgerd en ook niet correct, daarom spreek ik liever van Pleione bulbocodioides. Deze soort komt uit de bergwereld van Tibet, China en Taiwan en heeft daarmee dus een zeer groot verspreidingsgebied. Hij groeit daar zowel op rotsrichels, waarop zich humus heeft verzameld, als op verrottende boomstammen en soms kan hij zich vestigen in de dikke laag mos, die op de boomtakken zit. Hij gedraagt zich dus op dezelfde manier als bij ons de eikvaren, die je zowel op de grond kunt vinden als op oude bomen en dikke takken. Deze soort werd voor het eerst in 1911 in Engeland gekweekt en behoort tot een van de vele plantenintroducties, die in die periode uit China en omgeving kwamen. Het was de tijd van de grote plantenjagers als Kingdon Ward, Farrer en vele anderen. Er zijn nog een paar soorten Pleione, maar die zijn veel minder winterhard en worden vaak in de koude kas gekweekt. De naamgeving blijft een beetje moeilijk, want onder Pleione limprichtii wordt volgens mij dezelfde soort verstaan.

Binnenteelt
Pleione heeft zogenaamde bulbillen, een soort bollen die meestal gedeeltelijk of bijna helemaal boven de grond groeien. Voor het gemak noem ik deze bulbillen nu maar gewoon bollen, hoewel dat botanisch gezien niet juist is. Een grote bol geeft blad en bloemen - in die volgorde - en verschrompelt daarna, waarop de ernaast gevormde bol de functie weer overneemt. Vaak worden ook kleine bolletjes gevormd, die een jaar of twee langer nodig hebben om het tot bloeibare bol te brengen. Daarnaast worden er onder gunstige omstandigheden vaak massaal naaldvormige bolletjes gevormd, die soms sterk lijken op een verdikte bladsteel en daardoor nogal eens samen met afgevallen blad en bladstelen worden weggegooid. Niet doen dus, eerst kijken of er nog veelbelovend nakroost te ontdekken valt.

De bollen worden in de winter of in het vroege voorjaar opgepot in een mengsel van half verteerd beukenblad en potgrond met onder in de pot een flinke laag potscherven voor een goede drainage. Deze bollen komen bijna boven op de grond te staan en blijven goed staan als de dode, draadvormige wortels met een stokje in de potgrond worden gedrukt. Deze opgepotte bollen worden vanaf dat moment regelmatig begoten en na enige tijd zullen de bloeibare maten knoppen gaan vormen. Bloeiende planten kunnen in een koele kamer worden geplaatst. Na de bloei wordt het blad gevormd en dan wordt het tijd om de planten buiten op een beschaduwde plaats neer te zetten en ze regelmatig water te geven. Dat buiten plaatsen gebeurt pas als het nachtvorstgevaar geweken is. In de herfst gaan de planten in rust en ze laten dan ook het blad vallen. Vanaf dat moment droog houden tot het moment, dat er weer opgepot dient te worden. Bij het oppotten verdient het aanbeveling om de bollen op maat te sorteren en de bloeibare exemplaren bij elkaar in een pot te zetten.
Pleione bulbocodioides
De kleine bolletjes en de naaldvormige exemplaren komen ook weer apart te staan. In een zogenaamde azaleapot van 12 of 15 cm kunnen verscheidene bollen worden gepoot. Ook van de bloeibare exemplaren kunnen er meer in een pot worden gezet. Bij deze teeltmethode is het niet nodig om de planten in de zomer bij te mesten. Wel meng ik door de potgrond een klein beetje oude, verteerde koemest. Naar mijn idee reageren ze daar gunstig op.

Tuinteelt
De bovenvermelde teeltmethode raad ik iedereen aan, die slechts een paar bollen tot zijn/haar beschikking heeft. Het blijkt dat deze soort het op een niet te zonnige plek in de tuin ook goed kan doen, mits de grond iets is aangepast en niet te droog is. De beste grond is ook hier weer half verteerd beukenblad, eventueel zelfs half verteerde dennennaalden en dat gemengd met de al aanwezige tuingrond. In de Botanische Tuinen van Utrecht heb ik ze in 1984 in een wand tussen de stenen in de rotstuin uitgeplant en daar hebben ze gestaan tot 2004! Tegenwoordig staan er in de Botanische Tuinen van Utrecht enkele honderden Pleiones in een gestapelde wand van turven. In de turven is een gaatje geprikt en daarin zijn de bolletjes uitgeplant. Deze turfwand maakt onderdeel uit van de zogenaamde turfterrassen, waarin schaduwminnende planten staan. In de winter zijn de turfblokken vochtig, maar nooit kletsnat. In de zomermaanden staan deze orchideeën en andere planten hier relatief koel en vochtig. In mei bloeien deze orchideeën in de tuin en veel mensen komen dan speciaal naar de Botanische Tuinen om van het bloemenspektakel te genieten. [ Wiert Nieuman, hortulanus Botanische Tuinen van Utrecht ]


 

Artikelen en illustraties
in NEÊRLANDs Tuin
zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag daarom geheel, gedeeltelijk
of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming.