Aangepast zoeken
Geitenbaard houdt van vochtige voeten



 

  Hoewel je het niet zou zeggen, behoort geitenbaard tot de roosachtige. Het is een vaste plant die een forse achtergrond vormt voor andere planten en bovendien op vaas een lang houdbare snijbloem is. In het najaar verkleurt het loof naar gele en oranje tinten.

Op halfschaduwrijke plaats in vochtige grond gedijt deze polvormige plant prima.
Geitenbaard heeft in de zomer
roomwitte pluimen
Een plek bij de vijver, een slootkant of een laagte in de tuin geeft de plant een fier opgaande groeiwijze. De grond hoeft niet per sé drassig te zijn om toch tot een mooie plant uit te groeien. Op een humusrijke of kleiige bodem doet de plant het even goed. De pluimen die in juni tot begin september uit de plant omhoog schieten, hebben het wollige karakter van de sik van een geit. Ze zijn zacht en van dezelfde kleur. Daarmee houdt elke gelijkenis met een geit wel op. Geitenbaard (Aruncus dioicus) is tweehuizig. De zaden kiemen vrij gemakkelijk.

Aan de opgaande stengels, die maar weinig vertakkingen hebben, zitten de grote geveerde bladen. De bladen worden bij voldoende vochtigheid van de grond twintig tot dertig centimeter lang. De bladen zelf bestaan uit dubbel gezaagde, ruwe blaadjes. Zowel de bladen en pluimen zijn in de zomer en de herfst mooi om te zien. Opbinden van de plant kan soms nodig zijn, omdat na een regenbui de plant topzwaar kan worden. Geitenbaard is o.m. goed te combineren met kattenstaart, Rodgersia, puntwederik (Lysimachia) en spirea (Astilbe).

Een groep geitenbaarden trekt
lange tijd de aandacht
Aruncus dioicus wordt ongeveer twee meter hoog en één tot anderhalve meter breed. Je moet dus wel wat ruimte voor hebben om deze plant te kunnen laten uitgroeien, maar het is dan ook de moeite waard. Haal ze om de twee à drie jaar uit de grond en scheur ze om de plant te verjongen. Een natuurijke vermeerdering door middel van zaad kan ook, maar dan moet er wel voor worden gezorgd, dat er zowel vrouwelijke als mannelijke planten zijn.

Naast Aruncus dioicus is Aruncus aethusifolius ook een prima soort. De vorm ervan is klein en zeer compact, de bladeren zijn diep ingesneden en hebben in hoofdlijnen een driehoekige vorm. Aan het begin van de winter verkleurt het loof naar bruin. Het kan bij de grond worden afgesnoeid. De plant kan lang op dezelfde plek blijven staan. Het is niet nodig aethusifolius om de drie jaar te scheuren en te verplanten.


 

Artikelen en illustraties
in NEÊRLANDs Tuin
zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag daarom geheel, gedeeltelijk
of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming.