|
|
|
Gelukkig is het niet meer nodig, dat fruitbomen kanjers
van bomen worden. Een fruitboom kan weer in de tuin. Door de
teelt van onderstammen kan de hoogte beperkt blijven. Appels
of peren plukken met een gevaarlijk wiebelende ladder is
haast niet meer van deze tijd. Het type onderstam bepaalt de
uiteindelijke hoogte van een fruitboom en ook in de opbrengst
speelt dit een rol. Een zelfde fruitras kan op een
verschillend type onderstam worden geënt of geoculeerd
als ze onderling verenigbaar zijn.
Voor appels is een bekende onderstam van oorsprong afkomstig
uit East Malling in Engeland. Dit zijn de M-onderstammen die
in Nederland veel gebruikt worden voor tal van appelrassen.
Bij perenrassen worden Kwee A- en Kwee C-onderstammen
gebruikt. Wilt u een appel- of perenboom planten, overtuig u
dan van het type onderstam en vraag informatie over de
uiteindelijke hoogte van zo'n boom. Van een hoog groeiende
fruitboom kan later geen struikje worden gemaakt.
Boom- en struikvormen
Het is belangrijk voor het aanschaffen een fruitboom een idee
te hebben waar deze in de tuin moet komen te staan. Moet het
een solitair staande boom worden en hoe hoog mag hij dan
worden? Gaat de belangstelling uit naar een struikvorm, moet
er een muur mee worden bedekt of wilt u er een soort haag van
maken? In principe kan aan al dit soort wensen worden
voldaan. In alle gevallen is dan de onderstam waarop het
fruitras is geënt belangrijk èn de wijze van
snoeien om de uiteindelijk gewenste vorm te bereiken en te
behouden. Bedenk wel dat specifieke vormen bewerkelijker in
onderhoud zijn dan bijvoorbeeld een in struikvorm groeiend
gewas.
De bekendste boom- en struikvormen van appels en peren
zijn:
~~ Struik: van deze
vorm is het kenmerkend dat er geen doorgaande harttak
aanwezig is. De gesteltakken (waaraan het fruit komt)
beginnen op eenderde van de stamhoogte. De totale hoogte van
een struik kan goed in de hand worden gehouden door middel
van snoeien. Maximaal wordt een struik op een hoogte gehouden
van 1 - 2 meter. De fruitopbrengst van een struik is
hoog.
~~ Piramide: deze vorm
kan zowel op boom- en struikvormen worden toegepast. Door
middel van snoeien wordt een cilindrische kegelvorm
nagestreefd. De vorm is dus taps toelopend naar boven.
Het grote voordeel van deze vorm is, dat alle takken goed het
zonlicht kunnen opvangen. De hoogte varieert van 2 - 3,50
meter. Dwergvormen hiervan zijn ook mogelijk. Een hoogte van
1,5 - 2 meter wordt dan aangehouden.
~~ Spil: de
meest voorkomende vorm in de comerciële fruitteelt. De
hoofdvorm is een onregelmatige kegelvorm. Aan de duidelijk
aanwezige harttak waaieren rondom van onderen tot boven lange
gesteltakken uit. Hoogte 2 - 3 meter. Gesteltakken worden
meestal langs gespannen draden aangebonden. De spil is
buitengewoon productief in opbrengst en moet daarom alleen al
worden aangebonden aan een steunpaal. Dit laatste is meestal
geen fraai gezicht in een tuin, tenzij er een aparte
'oofttuin' is aangelegd.
~~ Hoogstam: zoals de
naam al aangeeft, groeien de gesteltakken op een stam. De
hoogte hiervan bedraagt 2 - 3 meter. Daarboven begint pas de
kruin van de boom die ook nog eens 2 - 5 meter hoog kan
worden. Begrijpelijk is dat voor het snoeien en plukken later
een ladder moet worden gebruikt. Er zijn nog steeds veel
hoogstamfruitbomen in boomgaarden en tuinen aanwezig. Vanwege
de vele tijd die nodig is voor plukken en snoeien, raken veel
bomen verwaarloosd en uiteindelijk in onbruik of worden
ten slotte omgezaagd. Langzamerhand krijgen hoogstamvormen
een museale waarde.
~~ Spalier: een veel
gebruikte vorm bij appels en peren en andere steenvruchten,
zoals perzik en pruim. De gesteltakken staan op een lage stam
van 50 - 60 cm hoog. De gesteltakken worden langs gespannen
draden horizontaal geleid. Kenmerkend is de symmetrie: alle
takken even lang. Het is een fraaie vorm om 'lijnen' en
'gangen' in de (moes)tuin te maken. De hoogte bedraagt
2 - 2,5 meter. Een variatie op de spalier is de
palmet. De gesteltakken groeien bij deze
vorm niet zuiver horizontaal, maar staan onder een lichte
hoek ten opzichte van de stam.
~~ Snoer: een fraaie
vorm om fruitbomen decoratief te laten zijn. Veel variaties
hierop zijn mogelijk. Zo kunnen snoeren bestaan uit
één tot wel vier verticale armen op
één enkele stam. Een snoer kan ook horizontaal
worden geleid. Het is een al oude wijze van vormgeven aan
fruit, die in tuinen bij kastelen en landgoederen in zwang
was.
~~ Waaier: een heel
geschikte vorm voor in de particuliere tuin om tegen een muur
te plaatsen. Niet alleen appels en peren kunnen deze vorm
krijgen, maar ook een geschikte vorm voor pruimen en
perziken. Vanuit een lage stam groeien in principe twee
schuin op de stam staande gesteltakken omhoog. Hieraan zitten
dan weer kleinere gesteltakken met vruchtlotjes. De hoogte
bedraagt 2,5 - 3,5 meter. Deze vorm is decoratief en
productief. Het is een niet erg bewerkelijke vorm, neemt
weinig ruimte in de tuin in en is daarom heel geschikt voor
particuliere toepassing.
Snoeien van appels en peren
De snoei van deze fruitgewassen vindt plaats in het late
najaar of in de winter. Wanneer de blaadjes van de boom zijn,
bevindt de boom zich in 'rust'. De sapstroom en assimilatie
is dan gering. Het is dan tijd om oud en weinig productief
hout te verwijderen. Houd de hoofdvorm van de boom of struik
ook bij het snoeien steeds in de gaten. Oud en dik hout kan
weggezaagd worden met een boomzaag of een takkenschaar. Het
terugzetten van nieuwe scheuten en de vorming van
sporendragers gebeurt met een snoeischaar.
 |
|
 |
|
 |
|
Selecteren van scheuten |
Terugknippen van nieuw loot in het 2de jaar |
Vormen van kortloten en sporen |
Wring nooit bij het zagen of knippen. De verwondingen aan de
boom herstellen zich dan moeilijk of gaan kankeren. Zaag of
knip te verwijderen takken langs de stam of een
hoofdgesteltak zo glad mogelijk daarvan boven de takkraag
weg. Een takkraag is te herkennen als een 'ringvormige'
verhoging aan het ondereinde van zo'n tak. Naderhand vormt
zich een wondafdichting, het callus, dat de plaats van de
verwijderde tak haast onzichtbaar maakt.
Nieuwe scheuten kunnen oudere scheuten vervangen
(vervangingssnoei). Knip de nieuwe scheuten met
eenderde deel terug boven een naar buiten staand (slapend)
 |
|
 |
|
Afgesnoeide tak bij kraag |
De wond afgedekt met callus |
oog. Zorg voor een open kroon of voldoende ruimte tussen
gesteltakken, zodat licht en lucht gemakkelijk kunnen
toetreden.
Een belangrijke vuistregel bij snoeien is:
een zwakke groei van een boom of struik is
gekoppeld aan een sterke snoei' en ook
een krachtige groei van een boom of struik
is gekoppeld aan een lichte snoei.
Een sterke snoei komt erop neer dat de boom veel minder
knoppen hoeft te voeden. Het gevolg hiervan is dat dit aanzet
tot een krachtiger ontwikkeling van veel nieuwe scheuten.
Helemaal niet snoeien geeft hetzelfde effect. Veel knoppen
moeten het doen met weinig voeding. De ontwikkeling van
scheuten is miniem en ze blijven klein in lengte. Van een
sterke snoei of helemaal geen snoei is het gevolg
dat er weinig en klein fruit aan de boom/struik komt. Het
gaat dus bij snoeien om het vinden van een evenwicht.
Er moeten zich nieuwe scheuten ontwikkelen en de opbrengst
moet gemiddeld goed zijn. Aan een goede fruitboom of struik
zijn dus zowel oude als nieuwe scheuten te vinden!
Zomersnoei
Aan alle vormbomen moet zomersnoei plaatsvinden. Wordt er
geen zomersnoei uitgevoerd, dan kan al snel de specifieke
vorm waarin de boom of struik geleid is, verloren gaan.
Zomersnoei of Loretta-snoei (genoemd naar het klooster
Loretta bij de Burcht in Praag) is een secundaire
snoei die na de normale wintersnoei in de zomer gebeurt.
Zomersnoei moet gedurende de hele zomer worden uitgevoerd.
Hierbij worden alle nieuwe scheuten tot op 2 - 5 centimeter
teruggeknipt. Uitlopen van knoppen aan een in eerder stadium
teruggeknipt takje is gebruikelijk. Het terugsnoeien van de
nieuwe scheuten bevordert de vorming van bloemknoppen. In de
winter moet op al deze nieuwe takjes met knoppen een selectie
plaatsvinden: welke worden aangehouden en welke geheel worden
verwijderd?
Beurtjaren
Het euvel van beurtjaren kan door een juiste
manier van snoeien worden voorkomen. Beurtjaren kunnen
desondanks voorkomen als gevolg van een zeer koude winter,
vorst tijdens de bloei, gebrek aan voldoende voedsel of
ziekte(n). Het verschijnsel beurtjaren heeft tot gevolg dat
om het jaar de oogst overvloedig is en er het tussenliggende
jaar nauwelijks vruchten zijn te bekennen. Beurtjaren zijn
als volgt door snoei te voorkomen: snoei na het arme jaar
zoals altijd. Laat de jonge eenjarige scheuten ongesnoeid.
Het groeiseizoen erna ontwikkelen zich aan deze scheuten
volop bloemknoppen, maar nog geen vruchten. Hetzelfde jaar is
er een rijke oogst op de oude takken. Het volgend
winterseizoen (het begin van een arm jaar)
laat u de tweejarige scheuten nog steeds ongesnoeid en worden
de nieuwe eenjarige scheuten sterk gesnoeid. De cyclus van
beurtjaren is daarmee verbroken. De volgende jaren worden de
bomen zoals altijd gesnoeid. Een andere, meer tijdrovende
methode om beurtjaren te doorbreken, is het uitdunnen van
bloemknoppen. In het jaar dat een rijke oogst wordt verwacht,
wordt het aantal bloemknoppen sterk gedund. De vruchten,
die eraan komen, zijn groot, maar minder in aantal dan
normaal in een rijk oogstjaar. Het jaar daarop zullen meer
jonge scheuten gevormd worden en is elk jaar de oogst
gelijkmatig in opbrengst.
Het vormen van sporen
Het vormen van sporen aan scheuten is essentieel om
bloemknoppen te laten ontwikkelen, waaraan later appels of
peren zullen groeien. De boom aanzetten tot vorming van
bloemknoppen bestaat uit het inkorten van zijscheuten, die
aan de gesteltak groeien. Door deze vorm van snoeien ontstaan
veel zogenoemde kortlotjes. Sommige rassen dragen hun
vruchten voornamelijk aan de top van een scheut, terwijl
andere rassen verspreid over de lengte van de scheut vruchten
dragen. De wijze van snoeien is eenvoudig. Kijk altijd goed
naar zo'n gesteltak met scheuten. Let met name op zwak
gegroeide, korte scheuten en lange, sterk gegroeide scheuten.
Korte en zwakke scheuten moeten flink worden ingesnoeid tot
 |
|
Vormen van sporen: voor en na snoeien |
op 2 - 4 ogen op de scheut. De lange, sterk gegroeide
scheuten worden minder ingesnoeid. Snoei deze scheuten tot op
3 - 6 ogen terug. Eind- of topscheuten worden tot op een
kwart tot eenderde deel van de lengte teruggezet.
Herhaal ieder jaar deze wijze van snoeien.
Er zullen zich veel sporen ontwikkelen. Sporen zijn te
herkennen aan dicht bijeenstaande korte takjes met veel
knoppen. Het heeft een wat knoestig uiterlijk. Veel knoppen
bij elkaar betekent ook dat zich daar veel bloemen en later
vruchten zullen ontwikkelen. Bij rassen die grote en zware
appels en peren produceren, is het raadzaam de sporen te
dunnen. Gebruik hiervoor een scherpe en goed snijdende
snoeischaar.
Dun de sporen zo dat het beeld van zo'n takje open van
structuur wordt. Licht en lucht moeten goed bij een takje
 |
| Dunnen van sporen levert grote vruchten op |
kunnen komen. Bij rassen die vruchten aan de toppen van
scheuten dragen, worden geen sporen gedund. Voor die rassen
is het beter om jaarlijks de afgedragen vruchttakjes terug te
snoeien op 2 - 3 ogen. De jonge nieuwe scheuten worden
met maximaal eenderde deel ingekort. Aan die scheuten komen
dan in een volgend jaar vruchten. Probeer elk jaar de boom te
verjongen door oude takken weg te nemen. Aan nieuw schot
worden gemakkelijker nieuwe sporen gevormd dan aan oude
scheuten.
Pruimen snoeien
Net zoals bij appels en peren worden ook pruimen op een
onderstam geënt. Dit maakt ook de pruim een ideaal gewas
voor de tuin. Zwakke groei geven de onderstammen 'Pixy' en
'St. Julien A'. Op deze onderstammen geënte pruimen
krijgen een stuikvorm met een hoogte van ongeveer 2,50 - 3
meter. Pruimen kunnen worden geleid. De waaiervorm
(platgroeiend geleid) is naast de struikvorm het meest
voorkomende type. Omdat pruimen zeer gemakkelijk
geïnfecteerd raken door de loodglansziekte en kanker
moet er altijd zo min mogelijk worden gesnoeid. Loodglans uit
zich op het blad in de vorm van een grijze gloed. Voor een
rijke oogst is het aan te bevelen verscheidene pruimen aan te
planten, omdat pruimen kruisbestuivers zijn. Een probleem bij
pruimen is nog wel eens hun vroege bloei in maart - april. In
die tijd kan nachtvorst aan de in bloei staande pruimenboom
schade veroorzaken door bevriezing van de bloemen. De
oogstopbrengst kan hierdoor behoorlijk worden
beïnvloed.
Jonge leivormpruimen worden in het vroege
voorjaar gesnoeid, wanneer de knoppen gaan zwellen. Kort
de lengtescheuten met tweederde in en snoei op een naar
buiten staande knop. Bij leivormen wordt de harttak
consequent verwijderd. Slecht of naar binnen groeiende
scheuten en lot op de stam worden in hun geheel
weggesnoeid.
Oudere pruimenbomen of struiken worden midden
zomer gesnoeid. De meeste pruimen dragen hun vruchten
aan de basis van eenjarige scheuten en langs twijgen van twee
jaar en ouder. In de zomer wordt een teveel aan zich
ontwikkelende scheuten handmatig verwijderd door de zachte
scheuten tussen duim en wijsvinger te nijpen. De
overblijvende scheuten worden direct getopt door
ze tot de helft van de lengte te nijpen. Onderhoudssnoei aan
pruimen moet altijd gericht zijn op het openhouden van de
kroon. Vooral in het hart van de boom/struik heeft een pruim
de neiging veel scheuten te produceren. Deze dus geregeld
weghalen.
Kersen snoeien
Ook de kers wordt in een breed scala aan vormen geleverd.
Struikvorm, leivorm (waaier), half- en hoogstamvormen zijn
leverbaar. Zwakke groei leveren de onderstammen 'Canil',
'Colt' en 'Inmil'. De hierop geënte kersen zijn geschikt
voor de (kleine) tuin. Net zoals bij de pruim worden jonge
kersen pas in het voorjaar gesnoeid als de knoppen
zwellen. Ook de kers is gevoelig voor kanker en
loodglansziekte. Oudere kersen worden in najaar en
winter in vorm gesnoeid. Haal beschadigde en zieke
scheuten en takken wel altijd direct weg. In de zomer na de
oogst moet opnieuw worden gesnoeid (zie onder
pruimen). Nieuwe scheuten aan takken,
waaraan vruchten hebben gehangen, worden het liefst
aangehouden, terwijl de afgedragen scheut zo ver mogelijk
wordt verwijderd. De jonge scheuten met eenkwart van de
lengte innemen.
In het vroege voorjaar worden zo mogelijk enkele oudere
gesteltakken verwijderd. Kersen hebben de eigenschap vooral
aan de toppen vruchten te leveren. Door het wegnemen van twee
tot drie gesteltakken per jaar kunnen zich nieuwe scheuten
aan de boom/struik ontwikkelen, waaruit later de gesteltakken
worden gevormd. Het euvel van vruchtvorming uitsluitend aan
het uiteinde van gesteltakken met scheuten wordt daarmee
voorkomen.
Perziken snoeien
De perzik is niet erg populair in de Nederlandse tuin. De
perzik verlangt veel warmte een beschutting tegen vorst en
regen. Uitsluitend een standpaats tegen een muur op het
zuiden en dan nog het liefst omgeven met een muurkas levert
veel vruchten op. Een in bloei staande perzikenstruik is
wonderschoon. De bloeikleur is zachtrose. De perzik is een
vroegbloeier: maart - april. Om vruchtzetting te krijgen is
bestuiving door insecten nodig. Dat lukt maar weinig in die
periode in ons klimaat. Handmatige bestuiving is dan de
oplossing. Handmatig bestuiven door middel van trillen van de
bloemen zorgt voor vruchtzetting. Perziken worden in de
noordelijke streken voornamelijk in waaiervorm gehouden. In
zuidelijke klimaten meestal in struikvorm. De waaiervorm
kenmerkt zich door een korte stam van 1 - 2 meter hoog.
Daaraan zitten 6 - 8 gesteltakken in een halve cirkelvorm.
Aan tweejarige scheuten vindt bloei en de vorming van
vruchten plaats. Het snoeien is gericht op de vorming van
jonge scheuten op de gesteltakken. Vorm- en onderhoudssnoei
kan alleen als de gesteltakken vervangen kunnen worden door
jongere scheuten, waaruit gesteltakken kunnen worden gevormd.
Snoei net voordat de ogen beginnen uit te lopen. Werk
met goed schoongemaakt snoeigereedschap!
Let erop, dat op een spits toelopende naar buiten gerichte
knop wordt gesnoeid. De bolle knoppen zijn de bloemknoppen.
Bij snoeien in het voorjaar gaat het dus met name
 |
|
Bloem- en scheutknop perzik |
om verjonging van de perzik. De scheuten worden met eennderde
van hun lengte ingesnoeid. Zomersnoei moet altijd
uitgevoerd worden, waarbij jonge scheuten tot op vier
bladparen worden teruggezet door deze tussen duim en
wijsvinger te nijpen. De scheuten die zich lenen om een
gesteltak te vervangen of een geschikte plaats op de
gesteltak hebben om over een jaar vruchten voort te brengen,
worden aangehouden en niet genijpt. Blijf telkens alert op de
hoofdvorm, waarin de perzik moet groeien.
Een volgroeide perzik wordt na de oogst
gesnoeid. De nieuwe scheuten en vervangende gesteltakken
worden als ze minimaal 40 cm lang zijn getopt onder het
laatste bladpaar. Zijscheuten aan deze scheuten worden
teruggeknipt tot op 1 - 2 bladparen. De zijscheuten moeten
een onderlinge afstand hebben van 10 - 15 cm. De jonge
(hoofd)scheuten moeten worden aangebonden. Bind deze scheuten
aan op bamboestengels en bevestig vervolgens de bamboestegels
op/aan horizontaal gespannen draden.
De andere afleveringen
|
|
|