 |
|
|
|
Aangepast zoeken
|
De wirwar Akebia |
|
|
|
Een opvallende klimplant met donkergroene, handvormige bladeren, die je maar zelden
in tuinen ziet. Het geslacht Akebia heeft slechts twee soorten, die beide in het
 |
|
Een mooie klimmer |
wild voorkomen in China, Japan en Korea. De familie, waar Akebia bij hoort,
heeft de nogal opvallende naam Lardizabalaceae als vernoemd naar de Spaanse botanicus
Lardizabal y Uriba. Het is een bladverliezende houtachtige slingerplant, die bijzonder
goed als klimheester voor een pergola, loggia of lattenrooster kan worden gebruikt.
De plant kan vrij groot worden en heeft daarom een stevige steun nodig. In zachte
winters is de plant zelfs half groenblijvend. Door koud weer krijgt het blad een
mooie, paarse gloed.
Akebia quinata (schijnaugurk), die bij ons het meeste te vinden is, heeft
vijftallige, handvormige bladeren (quini = telkens vijf). De afzonderlijke blaadjes
zijn ovaal tot eirond, kort gesteeld en voelen een beetje leerachtig aan. De ranken
zijn violetbruin van kleur.
Vanaf het begin van de lente hangen de chocoladekleurige bloemen in kleine, lange
trosjes vanuit de bladoksels naar beneden. Ze hebben geen kroonblaadjes en bevatten
ook geen honing, maar ruiken intens en lekker. De bloemen zijn eenhuizig.
De vrouwelijke bloemen staan aan de basis van de bloemtros, de kleinere manlijke bloemen
aan de top. Plant voor een goede (kruis)bestuiving het liefst twee planten bij elkaar.
Als de zomer zonnig, langdurig en flink warm is, worden de bloemen gevolgd door
 |
|
Intens en aangenaam |
worstvormige vruchten, die een purperblauwe kleur hebben. Die worden 5 tot 10 cm groot
en zijn eetbaar, maar niet erg lekker. De kern van eetbare, witte pulp bevat
honderden zwarte zaden. Wel jammer, in ons klimaat komen de vruchten zelden tot
volle wasdom.
Akebia trifoliata blijft kleiner dan A. quinata, heeft grotere bladeren
en is wel bladverliezend. Het drietallige (tri = drie) blad is donkergroen, langs de
rand wat golvend en aan de onderzijde lichtgroen. De donkerpaarse bloemetjes verschijnen
in juni en juli en zijn kleiner dan van A. quinata. In het voorjaar is het blad
van A. trifoliata opmerkelijk brons gekleurd.
Verzorging
Beide soorten groeien zowel in de zon als in de halfschaduw en stellen geen bijzondere eisen
aan de bodem. Ze verdragen elke vochtige, goed doorlatende grond en zijn betrekkelijk
droogteresistent. Zet de plant meteen op zijn definitieve plaats, want hij houdt niet van
verplanten. Jonge planten moeten tijdens de winter wat worden afgedekt, oudere planten zijn
volkomen winterhard.
Akebia groeit snel en slingert zich makkelijk. De ranken winden zich bij voorkeur om
elkaar heen, waardoor er zonder wat extra onderhoud een woeste wirwar van twijgen ontstaat.
Wilt u dit niet, leid de jonge planten dan direct in goede banen.
Na de bloei kan er, om de vorm een beetje te behouden, worden gesnoeid. Knip de zijscheuten
voor de helft terug en haal zwakke scheuten geheel weg. Te wild en rommelig uitgegroeide
planten kunnen in februari flink worden teruggesnoeid tot ongeveer 1½ meter boven
de grond. Een nadeel van zo'n rigoureuze snoeibeurt is, dat de plant het volgende jaar niet
of nauwelijks zal bloeien.
Vermeerderen kan door afleggen en stekken in de zomer of door te zaaien in potten in een
koude bak of vensterbank in de lente. Behalve een enkele luis is de plant nauwelijks vatbaar
voor ziekten en plagen. In zachte winters blijven de bladeren zeer lang aan de plant.
|
|
|
Artikelen en illustraties in NEÊRLANDs Tuin zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag
daarom geheel, gedeeltelijk of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze
dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming. |
|