 |
|
|
|
Aangepast zoeken
|
Edelweiss groeit ook lager dan de hoogste alp |
|
|
|
In alpenflora geïnteresseerde alpinisten raken steeds weer
in vervoering bij het zien van een toefje Edelweiss. Ze zijn in de Alpen weer in
flinke aantallen te vinden.
Dat is wel eens anders geweest. Op grote schaal werd Edelweiss geplukt omdat het
een volksmiddeltje tegen maagpijn is en niet in de laatste plaats ook voor de
toeristische commercie.
 |
| Leontopodium alpinum is een bewoner van het hooggebergte |
In onder meer broches, sleutelhangers, boekenleggers en pennen werd Edelweiss
ingegoten als aandenken. Bijna hadden we het alleen hiermee moeten stellen. De
plant werd zo goed als met uitsterven bedreigd. Tegenwoordig is het, op straffe
van een fikse boete, verboden de bloemen te plukken of uit te graven. Wie niet
zonder Edelweiss kan dromen, kan tegenwoordig terecht bij bijna elke
vasteplantenkwekerij.
Edelweiss (Leontopodium alpinum)
is de meest gangbare naam voor deze tot de composieten behorende plant.
Irlweiss (Oberbayern), Hanetabbe (Allgäu), Jagerbeaml of Bauchwehblume
(Salzburg) of Alv etérn en Staila alpina (Graubünden) zijn meer
lokale namen voor dezelfde plant. Edelweiss groeit van nature tot op
grote hoogte (4500 meter), maar nauwelijks lager dan op 1800 meter.
Edelweiss behoort tot de groep van de
continentale, eurazische alpineplanten. Behalve in de Alpen komt Edelweiss
ook voor in de Karpaten, Pyreneeën, het noordelijke deel van het
Balkanschiereiland en in Centraal-Azië.
Edelweiss komt van nature voor als enkeling, maar
meer nog in groepjes in alpenweiden, tussen rotsspleten en op licht begroeide
gruishellingen. De plant houdt van zon en een kalkrijke bodem.
Planten uit het stengelvingerkruid en het kussen-zegge-verbond zijn goede
indicatoren om ook Edelweiss aan te treffen.
Edelweiss wordt in natuurlijke
omstandigheden niet hoger dan vijf tot tien centimeter. Als vaste plant in
de tuin is een hoogte van tien centimer haast het minimum. Daar is niets aan
te doen: in het hooggebergte is er nu eenmaal meer ultraviolette
zonnestraling dan in de lage landen. Het lancetvormige blad is dik
grijsviltig behaard. Het beschermt de plant tegen kou en houdt vochtige
damp vast om in droge perioden te kunnen overleven. Naarmate Edelweiss ouder
wordt, wordt de viltige beharing minder. Bladeren zijn langgerekt, tongvormig;
de onderkant van het blad is sterker behaard dan de bovenkant.
Edelweiss heeft een eindstandige
schijnbloem. De meeldraden en stamper staan in het hart van de vijf tot zes
goudgele bloemkopjes. Het centrale deel is in een stervorm omgeven met dik
viltige bloemkransbladen. De echte bloem(en) is/zijn cilindervormig. De plant
bloeit van juli tot begin september. Na de bloei verschijnen er kleine,
donkerbruin/zwarte, behaarde vruchten.
Plant Edelweiss in de tuin in een mengsel van scherp zand met heel weinig
potgrond of leem, waaraan een flinke hoeveelheid kalk is toegevoegd.
Puingruis afgedekt met bijvoorbeeld maaskeien (16 - 25 mm) of cararakeitjes
(12 - 16 mm) is ook een goed substraat. Strooi ieder jaar een kleine
hoeveelheid kalk als aanvulling op het schrale menu.
|
|
|
Artikelen en illustraties in NEÊRLANDs Tuin zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag
daarom geheel, gedeeltelijk of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze
dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming. |
|