|
|
|
Het welslagen van tuinieren wordt bepaald door de aanwezige grondsoort
en hoe die wordt bewerkt.
De bovenlaag van de aarde staat voor leven, vruchtbaarheid en groei. Met behulp van
eenvoudig gereedschap is de grond, die wij bewerken, in een prima conditie te brengen.
Verschillen in grondsoort
Het maakt een heleboel uit of je op zware klei, op veen of op zand moet
tuinieren. Hoe zwaar de grond is, merk je pas als je een stuk tuin moet
omspitten. Planten zijn gevoelig voor de bodem waarop zij moeten groeien.
Niet elke plant is geschikt voor elke bodem. Ook als het heeft geregend, zijn
verschillen te ontdekken: op zandgrond verdwijnt neerslag snel naar de
diepere ondergrond; op klei- en leemgrond blijft het er lange tijd
bovenop staan.
Op zandgrond zou je graag het water wat langer willen vasthouden in de
bovenlaag. Op kleigrond wil je maar wat graag dat die plassen wat sneller
verdwijnen. Daar is wat aan te doen.
 |
Zand is het product van erosie van gesteenten. Het zijn afzettingen van
rivieren en de zee. De korrelstructuur is grof en het kan maar moeilijk
water vasthouden. Het zijn lichte gronden. Voordeel: het is makkelijk te
bewerken. Er is meestal weinig humus in aan te treffen. |
 |
Klei is familie van zand. De korrelgrootte bepaalt of we te maken hebben
met lichte of zware klei. Hoe fijner de korrel, des te zwaarder de grond.
Hoe kleiner de holtes (poriën) tussen de korrels, des te meer vocht
de grond kan vasthouden. Op kleigrond moet je meer kracht zetten om die
om te spitten. De grond kan lichter worden gemaakt door die te mengen
met zand en humus of door kleigrondverbeteraar te gebruiken. |
 |
Veen is gevormd uit resten van planten. Dit kunnen resten van bomen,
struiken, grassen en moerasvegetaties zijn. De veenlaag kan zich boven
of onder de grondwaterspiegel bevinden. Als het in aanraking met zuurstof
komt, verloopt de verbranding snel. Veen veraardt dan. Veen is licht te
bewerken. Het houdt heel lang water vast door de organische resten,
waaruit het bestaat. Er bestaat voedselrijk en voedselarm veen. De
veenlaag kan op een zand- of kleiondergrond liggen of het ligt er
tussenin. De laagdikte varieert van enkele centimeters tot tientallen
meters. Doordat veengrond lang nat en koud blijft, ontwikkelt de
vegetatie zich ook wat later dan op andere gronden. |
Assimilatie
Planten halen voedingsstoffen uit de bodem.
De mate van binding van voedingsstoffen verschilt per grondsoort.
Voedingsstoffen zijn gebonden aan het klei-humuscomplex. Water is
intermediair in het vrijmaken van voedingsstoffen voor de plant.
In grond(en), die dus lang water kan (kunnen) vasthouden, komen
voedingsstoffen eerder in oplossing dan op droge grond(en). Voor
z'n groei heeft de plant ook zonlicht nodig. In de groene delen
van de plant wordt het zonlicht omgezet in zetmeel, suikers, koolzuur
en zuurstof (fotosynthese).
Voedingsstoffen, die een plant voor een goede groei en bloei
nodig heeft zijn:
Stikstof (N) voor de opbouw van cellen en groei.
Kali (K) versterkt de cellen van de plant, zodat ze 'houtig'
worden. Het zorgt voor bescherming tegen vorst en felle zonneschijn.
Fosfor (P) is vooral nodig voor de vorming van wortels,
bloemknoppen, bloei en vruchtzetting.
IJzer (Fe) voor de binding van zouten.
Magnesium (Mg) voor de aanmaak van chlorofyl (groene bladdelen).
Overige sporenelementen zijn: borium (B), zink (Zn),
mangaan (Mn), koper (Cu). Dit zijn allemaal elementen die
nodig zijn om de weerstand en gezondheid van de plant te verzekeren.
Ontbreekt een van deze elementen, dan vertoont de plant gebreksverschijnselen.
Het bodemleven, nodig voor de omzetting van o.a humus, verbetering van
de waterhuishouding en luchttoevoer, floreert beter in een milieu dat
rijk is aan voedingsstoffen en sporenelementen.
Verbetering van de bodemstructuur
In de akkerbouw wordt een bodemlaag van 1,50 m benut voor de teelt
van gewassen; in de tuin wordt slechts de bovenste 60 cm gebruikt.
In de akkerbouwgebieden zijn de kavels vaak omgrensd met sloten, een
tuin meestal niet. In een tuin ben je voor de snelheid waarmee neerslag
wordt afgevoerd, afhankelijk van de grondsoort, de structuur van de grond,
onderliggende bodem en peilbeheersing van de poldereenheid. Vooral
tuinen die op klei liggen, hebben dikwijls te maken met stagnerende
waterafvoer door de geringe opnamecapaciteit ervan voor water. In sommige
situaties kan er sprake zijn van een afsluitende bodemlaag (ijzerhoudende
oerlaag of podzol). Doorbreken van zo'n storende laag is dan gewenst
om het overtollige water kwijt te raken.
Horizontale drainage
Verbetering in de afvoer van water is te realiseren door de aanleg van
drainage. Op regelmatige afstand van elkaar worden gebakken drainpijpjes
of kunststof ribbeldrains in de grond gelegd. De diepte is afhankelijk
van de grondsoort, maar gemiddeld ligt een drainage 60 cm diep. Als een
onderlinge afstand van 4 - 5 m wordt aangehouden, zit u redelijk safe.
De drain moet met afschot gelegd worden. De einddrain moet ca 5 cm boven
het hoogste slootpeil uitkomen. Een afschot van 1 cm per 5 strekkende
meter is voldoende. De gebakken drainpijpjes worden in de sleuf omgeven
met zand en daarna met de bestaande teelaarde toegedekt. Ribbeldrains
zijn omwikkeld met kokosvezel. Daarbij is het niet per se nodig de sleuf
met zand te vullen. Ligt er geen sloot langs een van de zijden van de
tuin, dan is aansluiting via een verzameldrain misschien mogelijk op
de hemelwaterafvoer. Het drainagesysteem moet geregeld worden doorgespoten
om de werking te garanderen.
Verticale drainage
Aanleg van een drainagesysteem in een kleine tuin is wellicht onmogelijk.
Misschien is er helemaal geen sloot in de nabije omgeving te bekennen en
moet de wateroverlast toch worden opgelost. In dat geval is een verticale
drainage mogelijk. Verticale drainage bestaat uit het boren van gaten in
de bodem. Dat kan uitgevoerd worden met een grondboor. Het geboorde gat
wordt gevuld met grof puin, grof zand of grof humeus materiaal. Het overtollige
water verdwijnt via de schacht naar het dieper gelegen grondwater. Deze
drainage werkt een aantal jaren, daarna raakt ze vaak verstopt.
Is geen van beide oplossingen mogelijk, dan is verhogen van de plantvakken
door middel van stapelmuren, turfmuren, bielzen, gemetselde muren o.i.d. een uitkomst.
Pas desnoods het sortiment planten aan. Vochtminnende planten zijn onder meer:
Ajuga reptans (zenegroen), Astilbe, Caltha palustris (dotterbloem),
Filipendula (geitenbaard), Iris,
Leucojum aestivum (zomerklokje), Mimulus (maskerbloem),
Osmunda regalis (koningsvaren), Polygonum
(duizendknoop), Primula florindae (sleutelbloem),
Rodgersia (kijkblad), Valeriana
(valeriaan).
Korrelstructuur
Na regenbuien in de herfst en sneeuwval in de winter slaat de grond dicht.
Het poriënvolume neemt af: de grond krijgt een gesloten bovenlaag en
 |
|
 |
|
Een grofkorrelige structuur van de grond is om allerlei redenen ongewenst |
Een fijnkorrelige structuur kan meer vocht en voedingsstoffen vasthouden |
|
het water bereikt minder snel de wortels van bomen, struiken en planten.
In april - mei warmt de grond op door zonneschijn, dan is het tijd om de
bovenlaag open te maken. Lucht kan dan weer in de grond doordringen en
neerslag kan de plantenwortels weer bereiken. De zogenoemde kruimelstructuur
is van levensbelang voor uw planten: hoe fijner de kruimels, des te meer vocht
kan de teelaardelaag vasthouden. Dit is ook van het grootste belang voor met
name kunstmeststoffen; hoe kleiner de kruimel van
de aarde, des te beter kunnen anorganische stoffen worden gebonden. Kleine
kruimels hebben bij elkaar meer oppervlak dan een grofkruimelige structuur
en ook het poriënvolume is vele malen meer.
 |
Een cultivator of woeler is heel geschikt om een fijne kruimel- structuur te maken |
 |
| Met behulp van een hark kan de grond verder worden verkruimeld |
 |
Een riek is ook een prima werktuig om
de grond mee los te woelen |
Waarmee maak je een fijnkorrelige structuur?
Het najaar of vroeg in de lente is bij uitstek het geschikte moment
om de tuin te spitten met een spade. Inwerking van vorst zorgt dat de
grond 'doorvriest'. De grove brokken klei, leem en aarde zetten bij
vorst uit door de waterdeeltjes die erin zitten. Hierdoor verkruimelt
de grond.
In het voorjaar is het moment aangebroken om de grond verder te
bewerken: met een (hand of op steel) cultivator/woeler of met een riek.
Met deze hulpmiddelen worden grote kluiten tot kruimels gemaakt.
Na deze bewerking kan de grond fijn worden geharkt. Herhaal deze bewerking
een aantal keren in het groeiseizoen. De planten zullen beslist beter
groeien en er zal geen plasvorming op de grond meer optreden.
Minder overlast, meer tuinplezier...
|
|
|