 |
|
|
|
Aangepast zoeken
|
Bodem is grond |
|
|
|
(bodem en grond worden in het jargon in
verschillende betekenissen gebruikt)
Geologisch gezien bestaat de aardkorst uit verscheidene lagen;
slechts de bovenste laag van 1,5 meter dikte wordt als bodem
aangemerkt. Deze laag bewerkt de mens en is van belang voor hoe en
welke gewassen daarop willen groeien. Wilde planten zijn volstrekt
 |
|
Schilderij: Genèse - Jean-Pierre Couarazze (1972) |
afhankelijk van dit aangeboden milieu. Niet alle planten groeien
overal: 'het milieu selecteert'. Het plantenbestaan reageert aldus
op onder andere de fysische eigenschappen van de bodem. Die bodem
is een complexe samenstelling van korreltjes, klein en groot,
èn een rijk geschakeerde chemische samenstelling van
elementen en micro-organismen. Nieuwe chemische verbindingen
kunnen pas ontstaan door inwerking van water, zuren en zuurstof.
Dit proces is al miljoenen jaren werkzaam en ook daardoor
verandert langzaam maar zeker de soortensamenstelling in een zeker
gebied.
De mens is bij machte om grond te verzetten. Dat gebeurt dan ook
op grote en kleine schaal. In de tuin brengen we grond aan om
bepaalde planten te laten groeien of om het ze naar de zin
te maken. Groeit of bloeit een plant een beetje belabberd... hup,
een paar 'toverkorreltjes' erbij en het gaat weer (een tijdje)
goed met de groei. De mens kan zijn leefomgeving naar z'n hand
zetten. Met als gevolg vervaging van alles wat waar groeit
en afhankelijk is van een bepaald milieu. Specifieke
landschappen verdwijnen, waar ook ter wereld op grote schaal; dag
in, dag uit.
Het natuurlijke milieu wordt een zeldzaamheid en krijgt daardoor
extra belangstelling: beschermingslust viert hoogtij, krijgt
aandacht in de vorm van documentaires, speciale 'natuurtuinen'
worden aangelegd. Mensen worden bewust gemaakt van het ecomilieu,
waarvan ze onderdeel zijn. De andere kant van het verhaal is
echter dat ook verscheidenheid ontstaat als gevolg van invloeden
van de mens op het ecosysteem. Maar die verrijking is minder
groot(s) en minder duurzaam gebleken dan het systeem dat miljoenen
jaren de tijd heeft gehad om tot de soortenrijkdom van planten en
dieren te komen.
Bodem: mengsel van zand, klei, veen en leem
De bodem is niet overal in dezelfde samenstelling en/of
componenthoeveelheden aanwezig. In de ontstaansgeschiedenis van
Nederland zijn specifieke gebieden aan te wijzen die hun
bodemkundige samenstelling te danken hebben aan de zee: de
zeekleigebieden en de duinen. Andere gebieden kenmerken zich door
een grote hoeveelheid leem in de grond als gevolg van de
destijds schurende bewegingen en het grote gewicht van ijskappen
over een deel van Nederland.
Grote rivieren vervoerden zand, grind en klei uit het
bovenstroomse achterland. Afzettingen hiervan zijn in grote delen
van het land te vinden, zowel aan de oppervlakte als op grote
diepte. Diverse inbraken van de zee hebben ertoe geleid dat klei
in dunne en dikke lagen over andere grondsoorten zijn afgezet.
Bedijkingen, in de Middeleeuwen vooral op het gezag van monniken
aangebracht, moesten de zee temmen. Met wisselvallig succes
overigens, want de zee neemt en geeft nog steeds. Uitgestrekte
veengebieden zijn ontstaan door een stagnerende waterafvoer van de
grote rivieren, die destijds ongebreideld hun weg konden zoeken
over het laag gelegen land achter de duinen. Tijdelijk stonden
grote vlakten onder water; stond de zeespiegel weer lager, dan kon
het rivierwater z'n normale weg naar zee vervolgen en kwamen de
gebieden weer voor langere of kortere tijd droog te staan.
Onder die omstandigheden groeiden planten, struiken en bomen,
totdat de afvoer weer stagneerde en alles wat groeide ter ziele
ging. Veenvorming in lagen met daartussen duidelijke afzettingen
van de rivier en de zee. Grote delen van Noord-Holland, Zuid-
Holland en Zeeland zijn zo gevormd. In hoog gelegen gebieden
groeide het veen in zandig-lemige kommen. Alleen regenwater kon
binnendringen in de kommen, maar kon er niet weer uitsijpelen.
Periodiek hoge en lage grondwaterstanden wisselden elkaar af.
Groei en afsterven werden beheerst door dit regulerende
mechanisme. Hoogveengebieden werden ze genoemd. Voor 1850 waren er
nog uitgestrekte hoogveengebieden te vinden; nu is een 'levend'
hoogveen een bezienswaardigheid. Zo is een reisje naar de Ierse
hoogveengebieden zeker de moeite waard.
"De ene grond is de andere grond niet"
Simpel gezegd, maar waar. In zandgrond zakt water nu eenmaal
eerder weg dan in een vettige kleigrond. Veen kan meer water
bevatten dan zand. Klei bestaat uit minuscuul kleine korreltjes,
terwijl zand grof van structuur is. Zand blijft los van structuur
als het blootgesteld is aan de zon; klei wordt keihard.
Verschillen in structuur bepalen mede de mate van vruchtbaarheid
van grond. Kleigrond heeft door z'n fijne korrelstructuur nu
eenmaal meer oppervlak om voedingsstoffen daaraan te binden dan
grofkorrelig zand. Tussen zandkorrels zijn meer zuurstofatomen
aanwezig dan tussen de fijne korrels van klei en leem. Zand is in
hoofdzaak kwarts en chemisch gezien anorganisch en kan maar weinig
water aan zich binden. Veen is organisch materiaal en kan juist
veel water opnemen; het werkt als een spons. Primaire
eigenschappen van grond bepalen wat we ermee kunnen doen of juist
niet.
Zuur of basisch
Zuur is de tegenhanger van basisch. Basische grond is kalkrijk
(>Ca). Kalkrijke gronden kunnen meer voedingsstoffen aan het
complex binden dan zure gronden. In zure gronden komen
lossen voedingsstoffen makkelijker op dan in basische gronden.
Zuren in de grond ontstaan per definitie door de activiteit van
plantenwortels. Ook neerslag in de vorm van regen kan meer of
minder zuur zijn. Chemische reacties in de bodem komen vooral tot
stand onder inwerking van zuren. Zwavelverbindingen, (So4),
fosfaatzuren (PO4) en carbonaten (Co3) zijn daarvan de
belangrijkste.
De zuurgraad van de grond kan worden gemeten. De waardeschaal
wordt uitgedrukt in potentie-waterstof-atomen: de pH. Hoe lager
het getal op de schaal, des te zuurder de grond; hoe hoger het
getal, des te minder zuur. De schaal loopt van 1 - 14. Een
neutrale zuurgraad van de grond beweegt zich tussen de 6 en 7.
Daarbij voelen de meeste planten zich lekker op hun plek. Extremen
zijn ook aanwezig: rododendrons eisen een pH van om en nabij de
4,5 - 5. Sommige varens houden juist van een pH van 8 of meer.
Planten in de uitschieters naar beide zijden verlenen we al
gauw het predikaat zeldzaam.
Getob met planten die maar niet willen groeien, heeft vaak iets te
maken met de aanwezige zuurgraad van de grond. Die zuurgraad
kunnen we beïnvloeden met 'toverkorrels'. Te zure grond
verbeteren we met een gift kalk of kali (Ca of K); basische ronden
beïnvloeden we met een zwavelzuurverbinding, waardoor de kalk
of gebonden wordt of uitspoelt.
De pH-waarde van de grond kan onderzocht worden aan de hand van
her en der (in de tuin) genomen bodemmonsters.
Ongeveer een kilo grond is voldoende om via een tuincentrum een
monster te laten onderzoeken. Niet alleen de zuurgraad van de
grond wordt dan onderzocht, maar ook de samenstelling van de
grond, het humusgehalte en zelfs wordt er een bemestingsadvies
gegeven.
Alle grondzaken:
|
|
|
Artikelen en illustraties in NEÊRLANDs Tuin zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag
daarom geheel, gedeeltelijk of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze
dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming. |
|