 |
|
|
|
Aangepast zoeken
|
Grove den, voor de allerarmste grond |
|
|
|
Grove den, vliegden, pijn, mast zijn namen voor een van
de meest voorkomende coniferen in de Nederlandse bossen. Deze den heeft een enorm groot
verspreidingsgebied binnen Europa en Azië.
De boom is aangeplant op de armste gronden, die er te vinden zijn. Het hout werd
voornamelijk gebruikt in de mijnbouw en nu nog in de papierindustrie.
 |
| Nevel in het dennenbos |
Wie in een bos woont, zal ongetwijfeld een aantal van deze dennen om zich heen hebben; het
is een boom voor een bostuin of een landgoed. De grove den bepaalt
voor een groot deel het gezicht van talrijke bossen in Scandinavië, Nederland
en de Alpengebieden.
De grove den (Pinus sylvestris) behoort tot de familie Pinaceae. Van de soort bestaan
 |
| Een herfstachtige sfeer in een bos met grove dennen |
er talrijke groeiplaatsrassen, veroorzaakt door klimatologische en gebiedsomstandigheden.
Kroonvorm, stamvorm, weerstand tegen parasieten en dergelijke zijn variabelen. Daardoor
ook is het mogelijk geworden, dat de grove den zich zo'n enorm verspreidingsgebied heeft verworven.
Grove dennen zijn op diverse plaatsen als fosiel in de grond aangetroffen. De beuk is een concurrent
van de grove den en heeft de boom in het verleden op diverse plaatsen verdrongen. In Nederland
is de grove den in 1514 door graaf Henderik van Nassau voor het eerst in het Mastbos bij
Ginneken uitgezaaid. In de achttiende eeuw komt de grove den al in grote delen van Nederland voor. In
de negentiende eeuw werd de grove den op grote schaal in het kader van werkverschaffing aangeplant.
 |
|
 |
De grove den is een veel voorkomende boom in onze bossen en bepaalt
dikwijls de omgeving, waarin wij recreëren |
 |
|
 |
Op een zandverstuiving is de grove den vaak karakteristiek
en moet daar op bijna puur zand zien te groeien |
In het bos
De grove den bepaalt voor het overgrote deel de omgeving en het gezicht van onze recreatiebossen.
Aanvankelijk kwam de grove den als monocultuur op dennenakkers voor. Door nieuwe inzichten in
de bosbouw zie je de boom nu in meer gemengde opstanden met loofhoutsoorten. De noodzaak
om veel hout van de grove den te produceren is een beetje vervallen. De bossen krijgen hierdoor
meer het karakter van uitwijkplaatsen voor stedelingen, waar het goed toeven is. De grove den
groeit weliswaar op de armste, hoger gelegen zandgronden, maar kan niet zonder een beetje
vocht in de ondergrond. Op goed vochthoudende zandgrond neemt het aandeel van de grove den in
het bosbestand af en maakt plaats voor eik, beuk en zilverspar. De grove den is een lichthoutsoort.
Alleen in de jeugdfase kan de boom tegen beschaduwing van opzij en van boven. Vandaar dat bij
aanplant de jonge boompjes vrij dicht op elkaar staan. Dunningen zijn in later fase nodig om
de boom naar volwassenheid te leiden. Op dichte en vaste grond groeit de boom kwarrig; kronkelende,
dikke zijtakken bepalen dan de karakteristiek van de uiterlijke verschijningsvorm. In bossen waar
tijdig is gedund, verschijnen andere loofhoutsoorten en bodembedekkers, zoals de vuilboom (Rhamnus
frangula), berk (Betula pendula), eik (Quercus robur), bosbes (Vaccinium)
en struikheide (Calluna vulgaris).
 |
|
 |
|
 |
| Jonge scheuten met dauw berijpt |
En ook een spinrag is te zien |
tussen 'levende' stammen |
 |
|
 |
| Dwalen door eindeloos bos |
met alom grove den |
De boom
Een grove den heeft op jonge leeftijd een regelmatig gevormde, kegelvormige kroon. Op latere leeftijd
krijgt hij een meer schermvormige kroon. De bruinrode twijgen hebben kortlote, waarop de
oorspronkelijk groene, later meer geliggrijze naalden in bundels van twee bijeenstaande naalden
staan. De naalden leven twee tot vier jaar en vallen vervolgens af. De naalden zijn om hun lengte as
gedraaid; vandaar de lichte kromming van de naald. In het voorjaar verschijnen manlijk bloeiwijzen
in de hele boom. Ze zijn alleenstaand en roodachtig van kleur. Deze bloeiwijze komt onder de
eindknop van een langlot van het lopende jaar. Vrouwelijke bloeiwijzen zijn geel en
verschijnen ook aan loten van het lopende jaar. De grove den is eenhuizig.
 |
|
 |
| Rijpe kegels van de grove den |
Een mierenhoop is een goed teken |
De kegels hebben een kegel- of eivorm, zijn kort gesteeld en hebben een groene kleur als ze
nog niet rijp zijn. In rijpe toestand zijn de kegels bruin en reageren sterk op de temperatuur.
In de zomer hoor je de kegels open knappen, waardoor de zaden vrij kunnen komen. De zaden zijn
bruinzwart en onderdeel van een vliesachtige vleugel. Een grove den kan zichzelf
uitzaaien. De zaden kunnen binnen een periode van twee tot vier weken kiemen. Ondanks de goede
kiemkracht verjongen bossen zich maar zelden op een natuurlijke wijze.
Voor een gezond leven van het dennenbos spelen mieren een grote rol. Ze zorgen onder meer voor
de verspreiding van schimmels, waardoor dennen goed kunnen groeien. De rode bosmier is hiervan
wel de bekendste. Zij kunnen u onverwacht bijten als u ontspannen in het bos denkt te zitten.
Deze mieren verzamelen voor hun onderkomen - de mierenhoop - de daarvoor nodige naalden van
de grove den. Het is een teken van een gezond bos.
|
|
|
Artikelen en illustraties in NEÊRLANDs Tuin zijn auteursrechtelijk beschermd. Niets mag
daarom geheel, gedeeltelijk of in gewijzigde vorm (persoonlijkheidsrecht) op welke wijze
dan ook worden verveelvoudigd zonder schriftelijke toestemming. |
|