|
|
|
Behalve een snoeischaar en een
bats of schop is voor deze vorm van vermeerderen geen
bijzonder gereedschap nodig. Afleggen is de meest eenvoudige manier van vermeerderen en
kan zonder veel kennis van planten door iedereen worden uitgevoerd.
 |
Links: aanaarden van de stengel Rechts: uitgegraven, bewortelde stengel |
In de zomer bloeiende planten
Veel planten die 's zomers bloeien, zijn makkelijk te vermeerderen door stengels die al over de
grond liggen of naar de grond zijn af te buigen, af te dekken met een laagje grond.
Het stengeldeel dat wordt afgedekt met grond, moet ten minste drie bladeren met ogen hebben.
De stengel wordt op het gedeelte ter hoogte van de bladeren verwond door de bast voorzichtig
los te maken met een mes. Bij de overige twee bladknopen wordt dezelfde handeling uitgevoerd.
De stengel met verwondingen wordt over een laagje verse aarde gelegd en afgedekt met grond.
De grond licht aandrukken. Mocht de stengel niet uit zichzelf blijven liggen, dan kan de stengel
met behulp van U-vormig gebogen ijzerdraad worden vastgezet in de bodem. De grond die wordt
gebruikt om af te dekken, kan de bestaande tuinaarde zijn of er wordt potgrond voor gebruikt.
Zorg ervoor dat de top van de scheut met ten minste drie tot vijf bladeren en/of knoppen
buiten het grondhoopje uitsteekt (zie linker tekening).
Welke planten afleggen?
Bijna alle zomer bloeiende klimplanten en heesters zijn op deze manier te vermeerderen.
Klimplanten:
Clematis, klimhortensia (Hydrangea), straalstempel (Actinidia),
Ampelopsis, trompetklimmer (Campsis), boomwurger (Celastrus),
duizendknoop (Fallopia), winterjasmijn (Jasminum), kamperfoelie
(Lonicera), wilde wingerd (Parthenocissus), passiebloem (Passiflora),
wijnstok (Vitis), blauwe regen (Wisteria). Verder alle klimplanten
die als kamerplant worden verkocht.
Heesters:
herfstpaardekastanje (Aesculus parviflora), rotsheide (Andromeda), beredruif
(Actostaphylos), Aucuba, zuurbes (Berberis), herfstsering (Buddleja),
struikheide (Calluna), specerijstruik (Calycanthus), dwergkwee
(Chaenomeles), kornoelje (Cornus), schijnhazelaar (Corylopsis),
pruikenboom (Cotinus), dwergmispel (Cotoneaster), olijfwilg (Elaeagnus),
kraaiheide (Empetrum), dopheide (Erica), kardinaalshoed (Euonymus),
klimop (Hedera), hertshooi (Hypericum calycinum en Hypericum moserianum),
lepelboom (Kalmia), ranonkelstruik (Kerria), Kolkwitzia, liguster
(Ligustrum), kamperfoelie (Lonicera), beverboom (Magnolia),
mahoniestruik (Mahonia), Nothofagus, pachysander (Pachysandra), ganzerik
(Potentilla), laurierstruik (Prunus laurocerasus), vuurdoorn (Pyracantha),
Rhododendron, braam (Rubus), wilg (Salix cinerea, Salix purpurea,
Salix repens), sneeuwbes (Symphoricarpos), bosbes (Vaccinium), sneeuwbal
(Viburnum davidii), maagdenpalm (Vinca), Weigelia.
Wanneer beworteld?
Als in het begin van de zomer wordt afgelegd en aangeaard, is (zijn) in het najaar de aflegger(s)
beworteld. De grondafdekking voorzichtig rondom de afgelegde scheut losmaken. Ligt de scheut
bloot, dan bepalen waar de bewortelde scheut wordt losgeknipt (met snoeischaar) van de moederplant.
Hierna kan de aanwinst worden uitgeplant op z'n definitieve plaats.
Alle vormen van vermeerderen
|
|
|