|
|
|
De meeste tropische en subtropische planten gedijen het beste in een
lichte, vochtige en warme omgeving. Tropische planten worden meestal
gekocht voor een plaatsje in de huiskamer of serre. Tegenwoordig (2006)
is er ook een ruim aanbod van tropische planten, dat in de tuin kan
worden gebruikt. Ze worden speciaal gekweekt en gecultiveerd om in ons
 |
| Een stukje rimboe van bamboe, voor sfeer en mystiek in de tuin |
klimaat te kunnen gedijen. Ze kunnen een matige of zelfs strenge winter
overleven.
Je hoeft beslist niet in de buurt van de evenaar te wonen voor een tuin met
een aantal mooie exoten. In ons Nederlandse klimaat is dus tegenwoordig
ook veel mogelijk: een winterharde palm, een stukje rimboe van bamboe
of een joekel van een bananenboom met imposant grote bladeren,
waaronder je voor een regenbuitje kunt schuilen.
Nederland heeft een zeeklimaat, een gematigd klimaat met koele winters
en milde zomers, waarin de temperatuur vooral wordt bepaald door de
ligging ten opzichte van de zee en de nabijheid van de warme
Noord-Atlantische Golfstroom.
Winterhard
Echt strenge winters worden steeds zeldzamer en de zomers worden
almaar warmer, waardoor steeds meer halfwinterharde planten buiten
gekweekt en gehouden kunnen worden.
Een plant die in strenge winters afsterft, noemen we halfwinterhard. Een
plant die zich goed tegen de vorst kan beschermen is winterhard. Onder
winterhard wordt ook verstaan, dat een plant zonder enige bedekking de
winterse elementen kan verdragen.
Tropische en subtropische planten moeten zich dus op deze wisselende
omstandigheden kunnen instellen om te overleven. Met name de winterse
temperatuurschommelingen, vele en aanhoudende regen en
daaropvolgende vorst kunnen een handicap zijn voor de
overlevingskansen. Er zijn plantensoorten die goed bestand tegen de lage
winterse temperaturen, maar die daarentegen de combinatie vocht en
vorst niet verdragen. Ze hebben enige afdekking nodig. Ze kunnen dus
wel tegen wat vorst, maar zijn niet winterhard. Bovendien is ook de
 |
| De meeste rododendrons zijn goed winterhard en vragen, behalve in
strenge en langdurige winters, geen bijzondere winterzorg |
standplaats in de tuin van belang: een goede beschutte plek met een
zonnige ligging. Voor de aanschaf is het dus nodig te weten of een
gewenste plant winterhard is of alleen maar vorstbestendig.
Winterharde planten kunnen bij het dalen van de temperatuur de suikers in
het water van de plantcellen oplossen, die dan dienstdoen als een
antivriesmiddel. Sommige planten onttrekken dan ook nog eens water aan
hun cellen, waardoor ze zichzelf uitdrogen. De bladeren van
rododendrons bijvoorbeeld hebben tijdens vriezend weer hangende en
krullende bladeren. Halfwinterharde planten kunnen maar beperkt het
suikergehalte in hun cellen verhogen. Tropische planten kennen geen vorst
en hebben daarom nooit de erfelijke informatie ontwikkeld om zich tegen
vorst te beschermen.
Regionale temperatuurverschillen kunnen ook een rol spelen. De
temperaturen in kuststreken zullen in de winter milder zijn dan in de rest
van het land. Maar in het voorjaar en zomer zal de temperatuur in
Noord-Brabant en Limburg vaak een paar graden hoger zijn dan in
Groningen en Friesland. Verder kan het veel uitmaken of een tuin open is,
waarin de wind vrij spel heeft, of dat een tuin op een beschutte plek ligt
tussen veel bebouwing, die warmte vasthoudt en bescherming biedt.
Handig is het dus om wat van de biotoop van de plant te weten.
Geschikte planten
Meestal zijn exoten mooie, impostante blikvangers met aparte bladvormen
 |
| Citrus wordt te koop aangeboden als breed uitgroeiend struikje of als bol op stam |
of een aparte bladkleur, waarmee ze de tuin een tropisch tintje kan geven.
Een aantal van die al aardig ingeburgerde planten wordt meestal als
kuipplant aangeboden. Die moeten - als de temperatuur 's winter de nul
graden bereikt - naar binnen worden gehaald. Ze kunnen pas na de
IJsheiligen weer buiten. Citrussoorten, laurier, olijf, granaatappel, maar
ook planten als Agapantus (Afrikaanse lelie), Arbutus
(aardbeiboom), Canna (bloemriet), Agave en
Aloë zijn een aantal van die planten. Een aantal andere
voorbeelden:
Orchidee
Orchideeën komen uit alle windstreken op aarde. Er zijn
orchideeën, die uitsluitend in tropische, in gematigde of koele
streken voorkomen. Vele daarvan zijn met succes in huis, maar ook in de
tuin te houden of zelfs te kweken. Per geslacht kan de verzorging
verschillen. Let er bij de aankoop daarom op tot welk geslacht de
orchidee of de orchideevariëteit behoort. De meeste soorten
verlangen veel licht, maar verdragen vaak geen felle zon.
Een mooie plant voor het moerasgedeelte van een vijver is de
aardorchidee Bletilla, een van de oudste tuinorchideeën.
Deze orchidee houdt van een vochtige en warme plaats in de
namiddagzon of op z'n minst morgenzon. Geplant in het hoger gelegen
moerasgedeelte groeit de aardorchidee uit tot een prachtige plant.
Bletilla behoort tot de grootste plantenfamilie: de Orchidaceae.
Zijn oorsprong ligt in Oost-Azië, hij is in 1802 in cultuur
gebracht.
Bletilla striata heeft bloemen op lange stelen met drie tot zeven
 |
Bletilla striata komt uit China en Japan |
purperkleurige bloemen, de middelste lip heeft geelwitte strepen. De
bloemgrootte is 3 - 4 centimeter, de bloei valt in juni-juli. Bletilla
striata 'Albostriata' heeft zwaardvormige, wit gestreepte bladen, die
min of meer recht omhoog staan. Bletilla striata 'Alba' groeit iets
forser dan de gewone soort. De bloem heeft in knopvorm een lilawitte
kleur. Naarmate de bloei verloopt, verkleurt de bloem van lila naar zuiver
wit. Van alle bletilla's is de bloemstengel bladloos. In de late herfst moet
de plant ter bescherming tegen kou en vorst wel een dekentje krijgen van
afgevallen blad. Met dit kleine beetje zorg kun je lang plezier hebben van
de aardorchidee.
Het vrouwenschoentje (Cypripedium reginae), ongetwijfeld een
van de mooiste soorten, vindt zijn oorsprong in Canada en het
noordwesten van de Verenigde Staten. Zowel de stengel als de bladeren
zijn behaard. De plant kan een hoogte bereiken van 35 - 50 cm. De bloem
is prachtig roze met wit. In combinatie met de lichtgroene bladeren is het
een schitterende verschijning in de tuin. Het schoentje houdt van een
vochtige, half beschaduwde plek, verlangt een humusrijke grond, moet 's
winters worden afgedekt en mag nooit worden verplant.
Palm
Er is geen plant te bedenken die meer met de tropen verbonden is dan de
palm. Een of meer palmen in de tuin zorgen voor een fantastische
uitstraling. Er is een aantal soorten, dat ons grillige klimaat kan weerstaan,
zeker als er enige regels in acht worden genomen. Palmen zijn niet
veeleisend wat de grondsoort betreft. Als die maar goed water doorlatend
is. Kies de meest beschutte plek - bij voorkeur op het zuiden. Vooral de
jonge planten groeien het beste in de volle zon. Kies niet een plek waar
harde wind vrij spel heeft. Vooral grootbladige soorten hebben daarvan te
lijden.
De palmenfamilie vormt een bijzondere groep bomen. Boven op de stam,
aan het uiteinde, staan de waaiervormige bladeren en de bloeiwijzen.
Gekweekte planten zijn soms meerstammig, maar dat hangt van de soort
af. Chamaerops humilis bijvoorbeeld is wel meerstammig, maar
Trachycarpus zo goed als nooit en Jubea al helemaal niet.
Ook hangt het ervan af onder welke omstandigheden de planten groeien.
In droge gebieden zijn ze meestal enkelstammig. Maar hoe vochtiger, des
te vaker ze meer stammen zullen maken. Op de rafelige vezels op de
stammen zitten de resten van oude bladstelen. Palmen met verschillende
stammen vormen een dicht bos van stijve bladeren, waarvan de droge
bladpunten werken als stekels. Bepaald geen plant dus voor een plaats,
waar je wel eens langs moet. De meeste palmen zijn nogal gevoelig voor
regematige aanraking. Een andere bijzonderheid van de palm is, dat de
stam zich niet vertakt.
Jonge palmen moeten tegen felle wind worden beschermd, geef ze een
beschutte plaats. Felle wind zorgt voor snelle verdamping van vocht en
beschadigingen van blad en groeipunt of 'speer'. Sommige palmsoorten
wortelen oppervlakkig, waardoor het risico van omwaaien groot is. Een
 |
| Trachycarpus fortunei groeit van nature in het zuiden van China
en tot op betrekkelijk grote hoogte in het Himalayagebergte |
palm die al geruime tijd in de tuin staat, is op den duur beter opgewassen
tegen wind.
Aan het begin van de winter is het nodig om een palm in te pakken tegen
de vrieskou. Gebruik hiervoor stro of dennentakken in combinatie met
rietmatten. De kop moet goed worden afgeschermd tegen invallende
regen, want bij een lage temperatuur kan dit vocht overgaan in ijs. Deze
maatregelen moeten vooral gericht zijn op het beschermen van het
groeipunt. Een eenmaal verloren groeipunt, bijvoorbeeld door bevriezing,
betekent het einde van de palm. Pas in het voorjaar, als de kans op vorst
nihil is, kan de winterverpakking worden verwijderd. Vertrouw er nooit
op, dat palmen goed winterhard zijn: pak ze dus altijd in. Naast het
inpakken is het nodig de grond rondom de voet goed te bedekken met een
dikke laag blad.
Een behoorlijk vorstbestendige palm, die een normale winter goed kan
weerstaan, is de matig winterharde windmolenpalm (Trachycarpus
fortunei). Een soort afkomstig uit Zuid-China en Noord-India. Met
een beetje extra aandacht is deze palm goed als vaste plant te houden.
Anders dan bij de meeste andere palmen groeit de windmolenpalm goed
bij wat lagere temperaturen. Een temperatuur tussen de 15 en 20 °C
is ideaal. In het groeiseizoen heeft hij veel water nodig en ook behoorlijk
wat mest voor een flinke groei. In een mooie zomer kan de palm wel 20
tot 30 centimeter groeien.
In de volle grond gedijen palmen goed, maar sommige kwekers vinden,
dat een in een pot ingegraven palm het beter doet. Wat een voordeel in
strenge winters is, want tijdens vorst kan de plant makkelijk worden
uitgegraven en veilig binnen worden gezet. Eigenlijk is dus de veiligste
manier de palm als kuipplant te houden.
Het geslacht Trachycarpus telt nog een aantal soorten, dat ook
tegen kou en vorst bestand is: Trachycarpus fortunei 'Charlotte' en
'Queensboro', Trachycarpus nanus, Trachycarpus takil en
Trachycarpus wagnerianus. Een aantal palmsoorten dat redelijk
goed kou kan verdragen, is: Corypha australis, Chamaerops humilis,
Phoenix canariensis, Areca sapida, Jubaea chilensis, Nannorrhops
ritchiana, Sabal minor en Serenoa repens. Palmen die in de
winter wel warmte moeten hebben, zijn onder andere Brahea armata,
Butia capitata, Livistonia chinensis, Sabal mexicana en
kokossoorten.
Bamboe
Met hun sierlijke halmen en het explosief groeiende, fragiele blad roept
wintergroene bamboe net als de palm de sfeer op van streken met een
warm klimaat. Ze geven de tuin vaak een mysterieus tintje. Door strenge
vorst met een schrale oostenwind kunnen ze wel wat bladschade oplopen.
Sommige gevoelige soorten verliezen soms hun blad of kunnen
bovengronds afvriezen. Ze herstellen zich na de winter meestal snel door
het aanmaken van nieuw blad uit de slapende knoppen of door nieuwe
scheuten vanuit de wortelstokken. Het aanbrengen van afdekmateriaal als
stro of blad aan de voet van jonge planten zal de winterhardheid
verhogen.
De meeste bamboesoorten houden van een zonnige tot half beschaduwde
 |
| Fargesia murielae 'Bright Side' |
plaats. Fargesia murielae en Fargesia nitida en
variëteiten daarvan doen het evenwel ook goed in de schaduw.
Er zijn soorten in een breed sortiment van kleuren en bladgrootte. Er zijn
bodembedekkende soorten, die niet hoger worden dan 30 centimeter,
maar ook soorten die onder goede omstandigheden tot echte reuzen van
12 meter hoog kunnen uitgroeien. Veel soorten zijn prachtig als solitaire
plant, maar ook als haag is een aantal zeer geschikt.
Vaak wordt gedacht dat bamboes woekeren en daarom minder geschikt
voor een kleine tuin zijn. Veel soorten kunnen dat, maar er is ook een
aantal dat keurig op zijn plaats blijft en slechts een dikke pol vormt. Als de
voorkeur toch uitgaat naar een soort die aan de wandel gaat, kan rond de
plant een wortelbegrenzer worden ingegraven. Er zijn kunststofwanden
(polyethyleen) per strekkende meter te koop in hoogtes van 50 en 60
centimeter. Bamboe wortelt niet bijzonder diep en het ingraven van zo'n
wortelbegrenzer of bijvoorbeeld oude tegels, golfplaat enz. tot op een
diepte van 60 cm is normaal gesproken afdoende.
Bashania qingchengshanensis is met een gracieuze hoogte van
 |
| Pleioblastus pygmeus |
maximaal 4 meter zeer geschikt als een snel dichtgroeiende groene haag,
is ook goed winterhard, maar maakt uitlopers. Chusquea culeou is
van alle chusqueasoorten de beste in ons klimaat, prima geschikt voor de
kleinere tuin en... maakt geen uitlopers. Phyllostachys aureosulcata
is een prachtige bamboesoort, ook geschikt als kamer- of als kuipplant.
Woekert niet, kan goed tegen droogte en is goed winterhard. Kan in een
extreme koudeperiode z'n blad verliezen en wordt tot 5 meter hoog.
Pleioblastus pygmeus is een van de allerkleinste bamboesoorten.
Hij wordt niet hoger dan 30 centimeter. Uitstekend als bodembedekker te
gebruiken en goed winterhard.
Dit is overigens maar een nietige opsomming van de grote hoeveelheid
bamboes, die te koop is.
Banaan
In een tropisch getinte tuin mag natuurlijk niet een spectaculair groeiende
tuinbanaan met zijn enorme bladeren ontbreken. De tuinbanaan die
boomachtige afmetingen kan krijgen, is eigenlijk meer een overblijvende,
vaste plant. De stam is opgebouwd uit gebundelde over elkaar groeiende,
vlezige bladvoeten van oudere bladeren en verhout niet zoals een echte
boom. De plant produceert slechts eenmaal een bloeiwijze en sterft dan af.
De bloei is prachtig met schitterend gekleurde bloemen. Bij de meeste
bananen groeien na verloop van tijd rond de hoofdstam nieuwe scheuten.
Terwijl zich bananen ontwikkelen, groeien deze scheuten uit tot nieuwe
volwassen planten. Zo herhaalt zich de cyclus. Sommige bananensoorten
kunnen, omdat zij geen zijscheuten maken, alleen maar gekweekt worden
uit zaad. De banaan (Musa) behoort tot de familie van de
Musaceae. De plant komt van oorsprong uit Zuidoost-Azië en is
vandaaruit naar bijna alle tropische landen verspreid.
Musa basjoo komt van oorsprong uit China en is de bekendste
 |
| Musa basjoo |
winterharde banaan voor de tuin, die zo'n 3 tot 4 meter hoog wordt. Door
geringe vorst sterft de plant af, maar komt uit de ondergrondse wortels
elk jaar weer terug, Voldoende ingepakt met rietmatten overwintert deze
banaan goed en kan worden geprobeerd de stam over te houden.
Net zo winterhard als Musa basjoo is Musa sikkimensis,
een krachtig groeiende, wilde banaan, die in de Himalaya op hoogtes van
1.800 meter en hoger groeit. De plant wordt op deze hoogtes soms
blootgesteld aan vorst en af en toe sneeuwval. Nieuwe bladeren
kenmerken zich door de rode verkleuring aan de onderkant. Aan de
bovenkant verschijnen rode, gevarieerde vlekken. De kleur verandert naar
groen als de plant volwassen wordt en alleen de middenrib aan de
onderkant van het blad blijft rood. Ook de recente (2005) soort Musa
tibet is een goede kandidaat voor de tuin. De bladeren zijn donkerder
groen, harder en smaller dan van Musa basjoo. De hoogte
bedraagt 2 tot 4 meter.
Plaats een banaan het liefste uit de wind, omdat het grote blad
gemakkelijk kapot kan waaien. Sommige kunnen een hoogte van wel 4
meter bereiken met bladeren van zo'n 3 meter lang. Een banaan heeft
voedselrijke grond met zo mogelijk wat lichte klei nodig. De grond moet
permanent vochtig zijn. Geef vanaf het begin van de lente tot aan de herfst
vloeibare kamerplantenmest. Een banaan kan in de volle grond worden
geplant of in een grote kuip.
De plant moet aan het begin van de winter worden ingepakt met stro of
rietmatten. Bananenplanten sterven bij lage temperaturen boven de grond
af. Pak de stam op tijd in. Hoe meer er van de stam overblijft, des te hoger
de plant in het opvolgende jaar wordt. Ook kan de plant worden
uitgegraven en opgepot om te overwinteren bij een temperatuur van
ongeveer 5 °C. Houd de plant dan zo goed als droog, omdat de
groei stil ligt. Anders treedt wortelrot op.
Probeer de hele stam in de winter over te houden. Dan is er een kansje,
dat een banaan zal gaan bloeien. De bloem wordt namelijk gevormd in de
stam van het jaar ervoor. Na de bloei sterft de stam af, maar vele nieuwe
bananenscheuten zullen er dan naast staan. Steek de nieuwe
bananenscheutjes voorzichtig af. Het beste kan dit in het voorjaar
gebeuren.
Natuurlijk zijn er nog veel meer exotische plantensoorten, die het
proberen waard zijn. Eucalyptussen, yucca's, varens, mooie bloeiende
gember- en curcumasoorten en nog veel meer moois wacht om te worden
uitgeprobeerd. Natuurlijk zal er wel eens één sneuvelen.
Maar dat is winnen of verliezen gelijk een spel.
|
|
|